Pagina 05
Terug naar beginpagina



Hoe AD(H)D en PDD-NOS in 1949 werden omschreven......

Op 1 October 1949 werd door de STICHTING PSYCHOLOGISCH PAEDAGOGISCH INSTITUUT "AMSTERDAM" (PPIA) een "Memorandum betreffende het onderzoek van Jan, geb. 8 - 6 - 1940" aan mijn ouders uitgebracht.
Directeur van de Stichting Psychologisch Paedagogisch Instituut "Amsterdam" was de elders op mijn site genoemde prof. Wilhelmina J. Bladergroen.

Het originele document is kennelijk door mijn moeder bewaard en kwam tevoorschijn tijdens een verhuizing.
Met stijgende achting voor mevrouw Bladergroen, later hoogleraar in de orthopedagogie in Groningen, heb ik deze beschrijving gelezen.  Zij en mevrouw H.M. Bakker-Cornelissen (voor zover uit de handtekening op te maken) hebben een rapport opgesteld dat in deze tijd onmiskenbaar de conclusie AD(H)D en PDDnos zou inhouden.    Alleen de termen AD(H)D en PDDnos waren toen nog niet "uitgevonden".
Veel kan ik mij er niet van herinneren, maar wel dat ik bij een heel vriendelijke dame dubbeltjes op een, door haar aangegeven manier, op de rand van haar bureau (zie foto) moest leggen.  Ik weet nog steeds dat ik de
muntjes niet alleen allemaal met de goede kant boven legde maar ze ook

 "uitlijnde" zodat ze allemaal precies hetzelfde lagen, want dat zou ik nog steeds doen.  Dit scheen mevrouw Bladergroen erg te hebben verbaasdomdat dit geen gedrag was dat bij mijn leeftijd van toen (ca. 8 jaar) hoorde.  Die neiging tot perfectionisme ben ik eigenlijk nooit kwijtgeraakt, nogal eens tot woede en afkeur bij anderen.  Ook een opdracht uit mijzelf uitbreiden is zelden een probleem als ik denk dat het op mijn manier beter is, hetgeen ook heel wat troebelen heeft veroorzaakt.

Wel ben ik er vaak geweest; hoe vaak weet ik niet maar het zal te maken hebben gehad met het in het rapport genoemde behandeling op het M.O.B., wat met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid Medisch Opvoedkundig Bureau betekent.  Het in het rapport aangehaalde spelen met grijze klei doet wel een lampje branden.  Er is, herinner ik mij nu, een tijd geweest dat "kleien" thuis na schooltijd nagenoeg elke dag op het programma stond.
 
De invloed van prof. Bladergroen is groot geweest op de samenleving zo heb ik uit een aantal publicaties begrepen.  Goed beschouwd is zij de grondlegger van twee belangrijke instituties in ons land:
1. Uit het M.O.B. zijn de LOM-scholen voortgekomen, die later als ZMOK-scholen bekend werden en nu worden aangeduid met SBO (Speciaal Basis Onderwijs).
2. Het P.P.I.A. schijnt de bakermat van de moderne hulpverlening GGz, voorheen RIAGG, te zijn.

Om de originaliteit geen geweld aan te doen is dit rapport op de website als PDF-document opgenomen;  om het te bekijken klik dan hier.  De tekst luidde:

Op zich zelf heeft Jan een goed intellect.  Zijn I .Q. bedraagt plm. 120.  Maar niettemin heeft hij op talloze gebieden achterstanden en moeilijkheden, die het hem onmogelijk maken om dit aanwezige verstand te realiseren.  In de eerste plaats vertoont zijn ruimtelijk voorstellingsvermogen hier en daar hiaten, o.a. op vijfjarige leeftijd, wat voor hem een steeds groter wordende handicap hij het volgen van het rekenonderwijs moet geven,
In de tweede plaats zijn zowel zijn geheugenprestaties als zijn concentratie-vermogen ver beneden de middelmaat.  Zelfs wanneer iets hem interesseert, heeft hij de grootste moeite om zijn gedachten bij zijn werk te bepalen.  Ook tredende concentratieinzinkingen zowel op wanneer hij in z'n eigen tempo mag werken als wanneer hij zo snel mogelijk moet werken onder leiding van iemand, die hem aanmoedigt.
Met zijn slechte geheugen hangen taalmoeilijkheden samen.  Auditief, maar vooral visueel neemt hij moeilijk en te langzaam op en bovendien beklijft het opgenomene niet lang.
Door de geringe visuele opnamesnelheid leest hij veel fouten, die hij pas verbetert als hij merkt, dat hij onzin leest.  Bij de schriftelijke weergave zijn sommige fouten het gevolg van het feit, dat niet alle klank-letter verbindingen zijn geautomatiseerd en hij nog moeilijkheden heeft met de z.g. "omgetrokken" klanken.  De spellingsregels kent hij wel, maar hij vergeet ze toe te passen.  Deze speciale moeilijkheden met de schoolstof verdienen zeker nader aandacht.

De practische intelligentie van Jan is goed, d.w.z. hij heeft inzicht in practische problemen. De uitvoering laat nog wel eens wat te wensen over, vooral wanneer er een volwassenen in de buurt is.  Hij durft dan niet goed en werkt met aarzelende, houterige bewegingen, die de uitvoering niet ten goede komen.  Bij zijn schrijven zien we iets dergelijks.  Hij houdt pen en potlood op krampachtige wijze vast, waardoor de schrijfbeweging niet vloeiend kan verlopen.  In dit verband is het misschien juist U te wijzen op een hartewens, waaraan wellicht makkelijk is te voldoen, nl.:  grijze klei, om thuis mee te kunnen spelen.  Jan maakt heel aardige dingen van klei, en voor een betere beheersing van zijn handenmotoriek is het een heel goede oefening voor hem.  Of nu de schoolmoeilijkheden alleen een gevolg zijn van zijn psychische moeilijkheden of dat we hier met primaire ontwikkelingshiaten te doen hebben, is moeilijk te zeggen.  Een feit is echter, dat Jan het voor zichzelf niet makkelijk heeft in 't leven.  Hij zoekt contact met de buitenwereld, heeft daaraan zelfs veel behoefte, maar enerzijds heeft dit contact een sterk egocentrisch karakter, waardoor hij zijn omgeving aan zich ondergeschikt tracht te maken, zonder zich zelf goed te kunnen aanpassen, anderzijds heeft hij voortdurend 't gevoel, dat de buitenwereld een soort nachtmerrie is met volwassenen en kinderen, die hem niet mogen en in de steek laten.  Zijn phantasieën en dagdromen over hoe die buitenwereld nu eigenlijk zou moeten wezen, zijn weinig reëel en hij verlangt altijd naar datgene wat er niet is, zonder te kunnen genieten van wat hij wel heeft.
Ondanks het feit, dat de aanpassingsstoornis in hemzelf ligt, voelt dit kind zich inderdaad wel heel ongelukkig en is heel kwetsbaar in zijn gevoelens.  Het is zeker juist om rekening te houden met deze kwetsbaarheid en hem niet al te hardhandig op te voeden, maar daarmee is het probleem niet opgelost.  Het is jammer, dat de behandeling op het K.O.B. indertijd werd afgebroken, en het zou o.i. juist wezen wanneer deze alsnog zou kunnen worden voortgezet.  Daarnaast moet echter een vorm gevonden worden om hem met zijn partiële achterstanden te helpen.  Over beide onderwerpen hebben wij gaarne een nader onderhoud op een der eerstvolgende avondspreekuren.

Ik wil niet nalaten hier mijn dankbaarheid aan het pionierswerk van prof. Bladergroen te getuigen.  Er is dank zij haar veel meer van mij terecht gekomen dan vermoedelijk het geval zou zijn geweest zonder haar kennis, kunde en visie en uiteraard mijn ouders die haar inschakelden.

De foto, die in Groningen schijnt te zijn gemaakt, doet mij sterk aan de Van Eeghenstraat in Amsterdam denken gezien de opstelling van het bureau;  ik heb de foto mogen overnemen van de site: Huygens ING, waar meer over deze wel heel bijzondere gymnastieklerares / orthopedagoge / hoogleraar is te lezen.

In de tekst van het Memorandum zien wij onder meer deze, verouderde, toen juiste en correcte schrijfwijzen:
•  dra, doctoranda, de toen gebruikelijke aanduiding voor de vrouwelijke doctorandus,
•  oktober werd toen als October geschreven en
•  pedagogisch als paedagogisch.




Einde pagina 05

Terug naar Beginpagina of naar pagina:  1  2  3  4  4a 5  6  7  8  9  10  11  12  13  14   15.

Of naar de uitleg over AD(H)D voor Docenten:  Inleiding.

Geplaatst/aangepast:  30-03-2015